Werk van de zonen van Johann Sebastian Bach

Muziek van de zonen van Johann Sebastian voor één en twee klavieren
Wilhelm Friedemann, Carl Philipp Emanuel, Johann Christoph Friederich & Johann Christian

Affiche labo 2006Wilhelm Friedemann Bach (Weimar 1710 – Berlijn 1784) is de oudste zoon van Johann Sebastian Bach uit diens huwelijk met zijn achternicht Maria Barbara Bach (dochter van Johann Michael Bach). Kreeg zijn muzikale opleiding van zijn vader, die voor zijn tiende verjaardag een ‘Clavierbüchlein’ samenstelde (hier zijn ook de eerste versies van de ‘Inventies’ en ‘Sinfonien’ in terug te vinden). Hij wordt door velen beschouwd als de meest talentrijke van Bachs zonen, maar was heel wispelturig en leidde een ongelukkig volwassen leven. Hij maakte zich vaak onmogelijk waardoor Carl Philipp (tweede zoon) brak met hem. De carrière van Wilhem Friedemann begon nochtans voorspoedig. In 1733 werd hij benoemd tot organist van de Sophiakerk in Dresden. Gedurende datzelfde jaar schreef hij vermoedelijk zijn concerto voor twee klavecimbels in F, één van zijn meest opgewekte werken waar hij de contrapuntische erfenis van zijn vader even opzijschuift en plaats maakt voor het emotionele aspect. In zijn Dresdense periode schreef hij vele van zijn beste werken, voornamelijk symfonieën, concerten en klaviermuziek. In 1746 werd hij muziekdirecteur in Halle. Na herhaaldelijke conflicten met het kerkbestuur legde hij in 1764 zijn werk neer. Als zestigjarige verliet hij Halle maar zag geen kans meer om een vaste betrekking te bekomen. Waar hij ook kwam, overal had men bewondering voor zijn orgelspel maar steeds vond men hem te oud en/of te weinig stabiel voor een vaste positie. In Berlijn gaf hij wat lessen en orgelconcerten, schreef gelegenheidscomposities en verkocht af en toe een manuscript van zijn vader (en ook de huisraad van zijn vrouw) om te overleven.

Carl Philipp Emanuel Bach (Weimar 1714 – Hamburg 1788) is de tweede zoon uit het huwelijk van Johann Sebastian met Maria Barbara Bach; Telemann (alias ‘the Godfather’) was zijn dooppeter. Zijn muzikale opleiding kreeg hij van zijn vader (tot zijn eigen leerlingen behoorde ook zijn halfbroer Johann Christian). Vanaf 1740 tot 1767 was Carl Philipp werkzaam als hofmusicus en -klavecinist bij Frederik de Grote in Berlijn (denk ook aan het schilderij van Adolph Menzel waar hij de fluitspelende vorst begeleidt aan het klavecimbel). Uit deze Berlijnse jaren dateert zijn ‘Versuch über die wahre Art das Klavier zu spielen’, dat met de didactische werken van Quantz en Leopold Mozart tot de belangrijkste bronnen voor de historische uitvoeringspraktijk van omstreeks 1750 behoort. Veelal worden in de traktaten en geschriften uit deze periode (zie ook Marpurg) het onderscheid gemaakt tussen de ‘geleerde’ en de ‘galante’ stijl. Ook worden de tegenstellingen tussen eenvoud en complexiteit, tussen moderniteit en ouderwetsheid aangehaald. Carl Philipp componeerde tussen 1754 en 1757 een reeks karakterstukken. Muzikale portretten van personen en stemmingen, zoals ‘Les Langueurs tendres’ (de tedere verlangens). Met deze titel verwijst hij ook naar François Couperin die in 1716/1717 ook een karakterstukje heeft geschreven met dezelfde titel. De karakterstukken van Carl Philipp vormen een goed voorbeeld van de algemene drijfveer van deze componist om muziek op te vatten als een expressiekanaal van affecten en karakters. Hij wilde menselijke hartstochten opwekken en tot rust brengen (Empfindsamkeit). Toen Telemann stierf in 1767 volgde Carl Philipp zijn peetvader op als muziekdirecteur van de stad Hamburg. Hij kreeg de verantwoordelijkheid over de muziek van de vijf hoofdkerken, zodat hij nu ook cantates, oratoria en passies componeerde. In deze hanzestad kon hij bovendien meer werk uitgeven dan in Berlijn. Hij publiceerde sonates, trio’s, kwartetten en heel wat klavierwerken.

Johann Christoph Friederich Bach (Leipzig 1732 – Bückeburg 1795) is de tweede jongste zoon van vader Bach uit diens huwelijk met Anna Magdalena Wülcken (Maria Barbara Bach stierf in 1720). Hij ontving zijn eerste lessen van Johann Sebastian en kwam reeds in 1750 als kamermusicus naar Bückeburg, waar hij in 1758 of 1759 werd aangesteld als concert– en hofkapelmeester. Deze zeer uitermate boeiende en talentvolle componist, schakel tussen J. S. Bach en de Weense klassiek, krijgt vandaag de dag niet de waardering die hij verdient.

Johann Christophs zoon Wilhelm Friederich Ernst (1759-1845) is de enige kleinzoon van Johann Sebastian met enige muzikale betekenis en uitstraling. Toen deze jonge telg uit dit roemrijke geslacht van musici en componisten achttien werd, vond zijn vader het nodig om zijn muzikale opleiding verder te zetten bij Johann Christian in Londen en Carl Philipp in Hamburg. Aangekomen in Londen kocht vader Friederich een pianoforte voor zichzelf en heel wat nieuwe ‘muziek’. Werd een vurige aanhanger van Mozart en keerde na enkele weken terug naar Bückeburg, Wilhelm Friederich in de goede handen achterlatend bij Johann Christian. De bundel met zes sonates in een galante stijl gepubliceerd in 1785 werden geschreven voor klavier (klavecimbel) of pianoforte.

Johann Christian Bach (Leipzig 1735 – Londen 1782) is de jongste zoon van Johann Sebastian (en sterft wel als eerste van de vier broers; nog voor Wilhelm Friedemann!). Na de dood van zijn vader kreeg hij les van Carl Philipp Emanuel in Berlijn. In tegenstelling tot zijn broer en halfbroers, die allen hoofdzakelijk in Duitsland gestudeerd en gewerkt hebben trok Johann Christian naar Italië. In 1756 ging hij naar Milaan. Studeerde ook contrapunt bij de belangrijke theoreticus Padre Martini in Bologna. Bekeerde zich in Milaan, vermoedelijk uit opportunisme tot het roomskatholicisme en componeerde (u raadt het al) veel kerkmuziek, maar ook enkele succesvolle opera’s. In 1762 vestigde hij zich in Londen waar hij tot aan zijn dood verbleef. Vanaf 1764 organiseerde hij samen met de gambist en componist Carl Friedrich Abel de Bach-Abel-Concerten, die tot het openbare concertleven behoren. In 1764 werd hij ook de vriend en mentor van de achtjarige Mozart. Getuige hiervan zijn de orkestbegeleidingen die Mozart schreef bij drie klaviersonates van Johann Christian Bach (KV 107, 1-3). Ook het spelen met vier handen op één klavier heeft Mozart van Johann Christian overgenomen. De sonate in c opus 17/2 is zonder twijfel de meest indrukwekkende klaviersonate uit heel zijn oeuvre. De hoekdelen (Allegro en Prestissimo) zijn geschreven in de ‘Sturm und drang’ stijl (wil de luisteraar overdonderen met heftige emoties) terwijl het middendeel (Andante) tot de ‘Empfindsamer Still’ behoort (wil de luisteraar ontroeren). Het duet in G, gepubliceerd bij Welcker te Londen, is in tegenstelling tot de meeste andere duetten geschreven voor twee (gelijke) instrumenten, klavecimbel of pianoforte.
© jan devlieger - 5 febr ’06

2006

Zondag 19 februari 2006 om 11u
Orgelzaal Stedelijk Conservatorium Brugge